1. Het soort licht

Om een beetje bewust te worden van hoe licht werkt, gebruiken we een vergelijking. We gaan uit van de zon, onze belangrijkste lichtbron.

Het zonlicht komt op een onbewolkte dag vanuit één punt, de zon zelf. Een onderwerp wordt dus vanuit één kant beschenen. Dat geeft scherpe schaduwen: de overgangen tussen waar de zon wel komt en waar de zon niet komt (de schaduwen), zijn abrupt. De zon geeft gericht licht.

zonlicht.jpg

De zon geeft heel veel licht, maar is maar een klein puntje aan de hemel. Hoe kleiner de lichtbron, des te scherper worden de overgangen tussen licht en schaduw. Hier is de ene kant van het onderwerp sterk verlicht, de andere kant ligt in diepe schaduw.


Op een bewolkte dag zien we nauwelijks schaduwen. Het wolkendek vormt één groot scherm, dat het licht verstrooit. Een onderwerp ontvangt zijn licht niet vanuit één punt, maar van heel veel kanten tegelijk. Daardoor zie je heel weinig schaduw. Het wolkendek geeft diffuus licht, ook wel verstrooid licht genoemd.

wolkendek.jpg

Bij bewolkt weer verstrooit het wolkendek het licht in alle richtingen. Het onderwerp wordt dan niet meer van uit één punt, maar vanuit alle richtingen beschenen. Daardoor zijn er bijna geen schaduwen meer.


Schaduw is nodig om vormen en structuren van een onderwerp te laten zien. Anders ziet het er vlak en flauwtjes uit.

Daarom werk je vaak met minimaal 2 lichtbronnen:

a. Het hoofdlicht. Het is de zon van de studio.
b. Het invullicht. Deze lichtbron maakt de schaduwen lichter of heft ze op.

1lichtbron.jpg

De eerste lichtbron die je opstelt is de hoofdlichtbron. Die zorgt ervoor dat het onderwerp voldoende licht krijgt. Hij wordt zo opgesteld dat de vormen en structuren in het onderwerp goed worden weergegeven. Als schaduwen te donker zijn is dat niet erg, dat wordt in de volgende stap opgelost.


2lichtbron.jpg

De tweede lichtbron wordt ingesteld op een lagere lichtopbrengst. Er blijven schaduwen in het onderwerp zichtbaar, anders ziet het er niet natuurlijk uit. De schaduwen zijn lichter gemaakt.


Een derde lichtbron is niet altijd nodig, maar geeft wel meer mogelijkheden:
c. Effectlicht. Je kunt plaatselijk lichtaccenten laten vallen, of een mooie lichtcontour maken.
d. Achtergrondlicht. Je kunt de achtergrond egaal wit maken of een mooi lichteffect geven.

Hier beperken we ons even tot twee lichtbronnen. 

gerichtlicht.jpg

Gericht licht geeft scherpe schaduwen. Vaak wordt in de studio geprobeerd  duidelijk zichtbare schaduwen te vermijden, maar voor creatieve toepassingen kunnen ze juist een belangrijk element zijn. Hier werd rechts een flitser zonder softbox of paraplu gebruikt, voor gericht licht met harde schaduwen. Zacht licht van links helderde de schaduwen op. Onder de doorschijnende ondergrond van de opnametafel stond een derde flitser opgesteld, die het onderwerp van rechts onder verlichtte.


zachtlicht.jpg

Een zachte, bijna  schaduwloze verlichting. De softbox, de hoofdlichtbron, staat rechts opgesteld.  De schaduwen worden bijna volledig opgeven door het invullicht. Dat is een studioflitser met flitsparaplu, iets verder weg links opgesteld.


» Terug naar beginpagina